Niets was onmogelijk

Deze maand in 1919 kreeg Duitsland het Verdrag van Versailles onder de neus geschoven. Duitsland had geen keuze: het móést tekenen. ‘De Duitsers wilden de oorlog. Wij hebben ze verslagen en nu moeten ze ervoor betalen’, zei de premier van Frankrijk, Georges Clemenceau. ‘Wee de verliezers! We wilden wraak en dat kregen we.’

Er viel niets te onderhandelen. Het Diktat kostte Duitsland zijn overzeese kolonies, zijn kolenindustriegebied, de koopvaardij en de marine, zijn wapenindustrie en 132 miljard Reichsmark schadevergoeding. De grote meerderheid van de Duitse bevolking was woedend en intens vernederd. Mensen realiseerden zich dat ze zouden betalen tot hun dood en ver daarna.

De toorn van het volk was ook gericht tegen de eigen Duitse regering: die had zich overgegeven en het Duitse leger (dat nog best had kunnen winnen, vertelden de mensen zichzelf) een mes in de rug gestoken. Sindsdien maakten Freikorps-milities het Duitse politieke leven zeer gewelddadig. In de twee jaren na Versailles werden meer dan vierhonderd Duitse politici door milities vermoord.

Korporaal Adolf Hitler, destijd 29 jaar oud, verbleef in een militair hospitaal in Pasewalk toen de wapenstilstand gesloten werd. Hij was herstellende van schade aan zijn ogen door mosterdgas. In Mein Kampf schreef hij later dat alles weer zwart werd voor zijn ogen toen hij hoorde dat Duitsland zich had overgegeven. Hij wankelde terug naar de slaapzaal, stapelde dekens en kussens op zijn hoofd, en huilde uit volle borst, ‘voor het eerst sinds den dag, dat ik aan het graf van mijn moeder had gestaan’. Hij besloot daar en op dat moment politicus te worden.

Na Versailles verviel Duitsland in chaos. In augustus 1923 kostte een dollar 1 miljoen Reichsmark; in november 4200 miljard Mark. De Reichsbank drukte geen biljetten meer: de val was niet bij te houden. Zonder bruikbaar geld begonnen mensen winkels dan maar te plunderen. Het leger werd op provincies afgestuurd die eigen regeringen uitriepen: een republiek in het Rijngebied, her en der werden communistische heilstaten uitgeroepen en het garnizoen van Küstrin begon een ‘mars naar Berlijn’. De atmosfeer werd apocalyptisch. Overal stonden redders des vaderlands op, elk met een eigen stijl. In Berlijn bracht de door God gezonden Häusser mensenmassa’s op de been, in Thüringen was er ene Lamberty die Duitsland wilde bevrijden door volksdansen, gezang en vrolijkheid. Een redder in München was twee dagen in het nieuws met een belachelijke poging om de revolutie te beginnen met de bestorming van een Bürgerbräukeller. Dat was Hitler. Hij schoot in het plafond en riep zichzelf uit tot de nieuwe landsleider. Zijn mars door München liep vast op een politieblokkade. Een vuurgevecht brak uit. Veertien discipelen en vier politieagenten kwamen om het leven. Hitler zelf werd gearresteerd en veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Wat mensen onthielden van Hitlers stunt was dat het te proberen viel: niets was onmogelijk in het krankzinnig geworden Duitsland.

Dertien maanden na de putschpoging, op 20 december 1924, werd Hitler alweer vrijgelaten. Hij had zijn tijd in de gevangenis benut om deel een van Mein Kampf te schrijven.